België hinkt achterop in normen voor nagalmtijd in scholen

In Belgie zijn er, in tegenstelling tot een aantal buurlanden, geen normen met bindend karakter betreffende nagalmtijd in klaslokalen. Het Typebestek 110 (uit 1979) spreekt over een maximum nagalmtijd van 1 seconde, daar waar de tendens in andere landen gaat naar 0,4‐0,6 seconden (o.a. Acoustical Society of America), gezien men steeds meer rekening houdt met storende geluidsbronnen, variërende klasgroottes en onderscheid in gehoorcapaciteit tussen kinderen (voor een jong volwassene kan een nagalmtijd van 0,6‐0,8 volstaan, daar waar jonge kinderen (concentratie is minder) of kinderen met gehoorproblemen 0,4‐0,6 nodig hebben.

Achtergrondlawaai heeft sterke invloed op spraakverstaanbaarheid

Een tweede bepalende factor is de spraak‐ruisverhouding, of met andere woorden, de mate waarin het achtergrondgeluid de spraak beinvloedt. Deze parameter bekomt men door de aanwezige hoeveelheid achtergrondgeluid (uitgedrukt in dB) af te trekken van de aanwezige geluidssterkte van de spraak (ook uitgedrukt in dB).

Achtergrondgeluid (ruis) ontstaat door:

• de aanwezige verwarming, ventilatie en airconditioning (HVAC): temperatuur en luchtkwaliteit zijn erg belangrijk, doch gaat deze mechanische ventilatie vaak gepaard met een monotoom laagfrequent geluid. Hetzelfde geldt voor de meeste TL‐armaturen. Hiervoor dienen dus geluiddempers te worden voorzien. Een alternatief hiervoor zou zijn, volumineuze ruimtes met zware vloerconstructies, maar in dit geval leidt dat tot slechte akoestiek.
•    lawaai dat van buiten naar binnen komt (verkeer, mensen op straat, speelplaats,…): door het gebruik van geluidsisolerend glas is de situatie verbeterd, doch blijven slechte raamafdichtingen ook hier voor problemen zorgen.
•    geluid van buiten het klaslokaal, maar binnen het gebouw (hal, gang, aanpalende lokalen,…): lawaai gaat vaak in de lengterichting de gang in en komt via vaak slecht geïsoleerde wanden en deuren het klaslokaal binnen. Ook slecht geïsoleerde vloeren kunnen hier de boosdoener zijn.
•    geluid binnen de ruimte (geschuifel van stoelen, papier,…), lawaai dat kinderen maken in de klas.

Hoewel de eerste twee aangehaalde punten in praktijk een even grote of soms zelfs grotere invloed uitoefenen, horen we leerkrachten vooral klagen over de laatste twee punten.

Spraak­ruisverhouding dient groter te zijn dan 15 dB of meer

In Belgie gaat de minst strenge richtlijn uit van een achtergrondgeluid in een klaslokaal van maximaal 45 dB. In Nederland mag dit maximaal 35 dB zijn, in Duitsland spreekt men zelfs over een maximum van 30 dB. We moeten hierbij niet vertellen dat deze niveaus vaak hoger liggen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert een achtergrondgeluidsniveau in klaslokalen dat niet hoger mag zijn dan 35 dB.

Internationaal is men het er over eens dat de verhouding tussen spraak en ruis minimaal 15 dB moet zijn. Dit wil zeggen dat men 15 dB harder zal moeten spreken dan het aanwezige achtergrondgeluid. In principe produceert een leerkracht 60 dB als hij normaal spreekt, 67 dB als hij roept. Dit beperkt het achtergrondgeluid tot maximaal 45 dB.

Jonge kinderen en kinderen met gehoorproblemen hebben meer last van achtergrondgeluid dan ouderen

Uit internationaal onderzoek blijkt echter dat een aanzienlijk percentage van de kinderen permanente of tijdelijke gehoorproblemen heeft door ziekte, infectie of allergie. Een simpele verkoudheid kan het gehoor van een kind met 15‐30 dB verminderen. Audiologen gaan daardoor vaak verder in hun eisen en bevelen verschillen aan van 20‐35 dB tussen spraak en achtergrondgeluid.

Dit geldt ook voor jonge kinderen. Elliot (1979) concludeert dat 5‐ tot 7‐jarigen een spraak‐ ruisverhouding nodig hebben die 5 tot 7 dB hoger ligt dan tienjarigen. Dit is vooral vereist voor eenlettergrepige woorden (kinderen onderscheiden moeilijker verschil tussen bv. bier en dier, door verminderde concentratie en verminderde woordenschat). Dit verschil dient nog groter te zijn indien de ruis niet continu is (dit wordt als feller storend ervaren).

De General Accounting Office in de Verenigde Staten concludeert dat 1/3e van de scholen een onvoldoende scoort op achtergrondgeluid. Hoe jonger het kind, des te rumoeriger de omgeving. Picard en Boudreau (1999) hebben gemiddelde achtergrondgeluidsniveaus gemeten tussen 66‐94 dB in bezette Amerikaanse kinderdagverblijven t.o.v. 44‐55 dB in bezette universiteiten. In het Verenigd Koninkrijk meette Shield (2001) gemiddeldes van 72 dB in lagere scholen (gelijk aan het geluidsniveau in de Londense intersection).

Bron: Architectura.be